Pijnstillers: groepen
Pijnstillende geneesmiddelen kunnen we in verschillende grote groepen indelen.
- Pijnstillers die niet rechtstreeks inwerken op de hersenen. De gevoeligheid voor pijn word verminderd op de plaats van het letsel. Enkele voorbeelden: acetylsalicylzuur of Aspirine, paracetamol in Dafalgan en Perdolan. Deze werken niet verslavend en hebben ook de eigenschap om koorts te verminderen.
- Hulpmiddelen die toegevoegd zijn aan deze pijnstillers zoals coffeïne en codeïne. Door deze stoffen te combineren met basispijnstillers wordt de werking ervan versterkt. Voorbeeld: Panadol Plus is sterker dan Panadol en Dafalgan Codeïne is sterker dan Dafalgan.
- Ontstekingswerende middelen. Deze hebben de eigenschappen van de gewone pijn- en koortswerende middelen maar er wordt nog een ontstekingswerende werking aan toegevoegd. Een voorbeeld daarvan is Brufen.
- Corticosteroïden. Deze geneesmiddelen worden ingezet wanneer de gewone ontstekingsmiddelen gefaald hebben. Men kan deze ook lokaal toedienen via een inspuiting in de gewrichten.
- Pijnstillers die afgeleid zijn van morfine. Ze werken hoofdzakelijk in op de hersenen en bootsen de lichaamseigen morfines na, deze morfines en endorfines bepalen in grote mate onze stemming en ons welgevoel. Wanneer de pijn niet meer draaglijk is zijn ze niet meer voldoende om deze te onderdrukken. Deze pijnstillers worden vooral ingezet bij kanker of gedurende korte tijd bij voorbijgaande pijn en chirurgische ingrepen.
- Plaatselijk verdovende middelen of lokale anesthetica. De zenuwbanen worden tijdelijk onderbroken
- Soms worden geneesmiddelen ingezet die eigenlijk een andere werking hebben. Afhankelijk van de omstandigheden; middelen tegen epilepsie of psychiatrische aandoeningen zoals depressie.

